|
|
|||
|
|
|||
Lokale naam: Indju
|
|||
| Kenmerken: |
Grote boom met donkergroen geveerde bladeren met kleine geelwitte bloempjes. De bloemen hangen in langwerpige trosjes aan de takken. Later groeien er gebogen groene peulen uit. (max. 20 cm. lang.) Na het rijpen worden de peulen geel. Kenmerkend van deze boom is een niet gladde boomhuid v/d stam en/of takken, die vaak een dikke donkerbruine hars uitscheidt. Af te raden is om o.a. auto onder de "Indju" te parkeren. Als de "Indju" groeit barst de oude boomhuid los van de jonge onderlaag en o.a. de "Toteki" plaatst vaak zijn eieren hier tussen. De houtkwaliteit is hard te noemen en wordt veel voor brandhout gebruikt. Ook wordt het hout verwerkt in siertafels en wand versieringen. |
||
| Plaats van oorsprong: |
Niet
bekend.
|
||
| Manier van verspreiden: |
De
peulen worden o.a. door geiten gegeten en de zaadjes worden verder verspreidt.
|
||
| Aanpassingssoort: |
Door zijn kleine geveerde blaadjes en goeie wortels blijft de "Indju" lang groen. |
||
| In onze cultuur: | Vaak wordt in een tuin waar een "Indju" boom ligt, een hangmat gespannen en in vrije momenten in geslapen. Een nadeel is echter, dat in deze boom een specifieke lange lichtbruine mier woont, die onaangename momenten kunnen bezorgen. | ||
| Medicinaal: | Vroeger voor verschillende doelen gebruikt. | ||
| Bijzonderheden: | Als kind hebben wij genoten om de rijpe peulen open te scheuren en op de pitten te zuigen. Om de zaden zit een vruchtmoes waar een zoetzure smaak vrijkomt. | ||


![]() |
|