|
|
|||
|
|
|||
Lokale naam: Chimi Chimi
|
|||
| Kenmerken: | Plant met grijsachtig groen getande harde bladrand. Bij ieder uiteinde v/d blad en op de nerven zijn er stekels. Het plant heeft een felle gele bloem met veel stuifmeel die later een groene vrucht wordt. Wanneer de vrucht uit droogt komt de boveneinde v/d vrucht open te staan. Tijdens het waaien van de wind valt de kleine donkerbruine zaadjes op de grond. | ||
| Plaats van oorsprong: | Niet bekend. | ||
| Manier van verspreiden: |
De
zaadjes worden o.a. door onze lokale duiven gegeten en via hun uitwerpsel
ergens anders verspreidt.
|
||
| Aanpassingssoort: |
De planten gaan dood bij erge droogte, maar vooraf hebben ze al honderden zaadjes ter plekke laten vallen. Deze groeien direct na een goeie regenval. |
||
| In onze cultuur: | |||
| Medicinaal: | Als de plant beschadigd of gekapt wordt komt er een gele vloeistof uit. Deze gele vloeistof werd vroeger op puisten ingesmeerd. | ||
| Bijzonder: |
Het is een mooie aanschouw de lokale duiven met hun vleugels de gedroogde vrucht zien klappen om de zaadjes op de grond te doen vallen. In Afrika wordt het gekweekt om een natuurlijke insecticide uit te halen. |
||


![]() |
|