|
|
|||
|
|
|||
Lokale naam: Skopèt
|
|||
| Kenmerken: | Veel voorkomend struik tussen 30 - 45 cm. hoog. De stengels hebben een fijne beharing. De bladeren zijn ovaal, de bloemen trechtervormig, paarsachtig blauw met wit aan de basis. De droge vruchten zijn dun en langwerpig en bevatten veel kleine zaadjes. | ||
| Plaats van oorsprong: | |||
| Manier van verspreiden: |
De zaadjes worden door o.a. door de "Totolika", "Mofi" gegeten. Bij regenval wordt de vrucht nat waarbij ie ook knalt, waarbij de zaadjes ook rond verspreid worden. |
||
| Aanpassingssoort: |
De wortels zijn iets knolvormig en gaan heel diep de grond in, dus er kan toch water gevonden worden bij droogte. |
||
| In onze cultuur: | Als kind spelen we met de de droge vruchten. Er wordt een beetje speeksel op de vloer gezet en de droge vrucht wordt even ingezet en later uitgehaald. De vrucht springt in tweeën. (Echt met een hoorbaar geknal.) Al de zaadjes worden rond verspreid. | ||


![]() |
|